Lezen leraren uitzonderlijk veel, of toch niet?

Met de publicatie van zijn artikel ‘De lezende leraar’ in TNTL 2/2018 beoogde Jeroen Dera, docent Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Radboud Universiteit, een oproep te doen aan de letterkundig neerlandistiek om meer onderzoek te doen naar literatuuronderwijs. Nu eens niet vanuit de vakdidactiek of sociologie, maar juist vanuit de literatuurwetenschap. Zijn publicatie, vooral gericht aan vakgenoten, werd echter ook opgepikt door literair platform TZUM, en zoals ze daar gewend zijn, stevig aangezet gepresenteerd met de pakkende titel  “Leraren Nederlands lezen weinig en dan vooral succesromans”. Het duurde dan ook niet lang of er kwam een pittige reactie. Michelle van Dijk, schrijver en docent, fileerde het stuk van Jeroen op haar eigen blog. En natuurlijk reageerde hij op zijn beurt weer op háár inbreng.

De drie centrale vragen in het explorerende onderzoek van Jeroen waren de volgende:
Hoeveel oorspronkelijk Nederlandstalige romans lezen docenten gemiddeld per maand?
Welke waren de drie laatst gelezen Nederlandse romans?
Zijn de docenten bekend met 25 geselecteerde romantitels?

Mij gaat het er hier niet om wie er wel of niet gelijk heeft, welke nuances daarbij aan te geven zijn en om welke titels het specifiek gaat. Lees daartoe vooral zelf hun argumenten en constateer met Jeroen en Michelle dat het inderdaad moeilijk is om vast te stellen wat veel of weinig is. Waarom dan nóg een stukje schrijven?  Hoewel ik Drs. (ja, lang geleden…) voor mijn naam mag zetten ben ik geen wetenschapper, ik ben een Echte Lezer, en ik bevind me in de lezersgerichte hoek bij de ‘individuele ontplooiers’. Ik geef jongeren graag diverse opties om hun eigen boeken te kiezen, boeken die goed bij ze passen en wijs naar eventuele vervolgstappen in de verte op het kronkelige pad van de ontwikkeling naar een eigen smaak. En zoals ik jongeren hoop te inspireren probeer ik ook docenten(teams) over te halen meer en vooral breder te gaan lezen. Ik ontmoet docenten van allerlei pluimage, docenten die veel of juist weinig lezen, die alleen lezen tijdens hun vakantie of die graag academisch materiaal doorpluizen. Het zijn net mensen, en dus kom ik soms ook docenten tegen die gewoon helemaal niks lezen, die dat helemaal niet leuk vinden en ook niet zullen gaan doen. ‘Soms’… gelukkig.

De respondenten van Jeroen komen uit de Facebook groep ‘Leraar Nederlands’. Dat is een grote groep docenten die actief met hun vak bezig zijn. Er worden vaak heel zinnige vragen gesteld, mooie lessuggesties gedeeld en veel titels uitgewisseld. Het is een feest om die groep te volgen en er deel van uit te maken. Ook ik nodigde deze groep afgelopen voorjaar uit deel te nemen aan een klein onderzoek, uitgevoerd door een student van de Universiteit Tilburg. Ik wilde graag peilen in hoeverre er belangstelling bestaat voor een training Nieuwe Nederlandse Literatuur. 65 procent van de respondenten was afkomstig uit deze actieve groep docenten, 35 procent reageerde op een mail die we rechtstreeks naar Havo/VWO scholen stuurden. Nu waren de absolute aantallen niet zó hoog (een vraag van een klein projectbureautje is natuurlijk iets anders dan een vraag van een universiteit), maar de antwoorden van de 75 respondenten spraken voor zich. Ook in de Facebook groep met zulke actieve leden bestond veel belangstelling voor een training die de deelnemers in korte tijd veel nieuw materiaal levert. Los van de vraag of ze zelf vinden veel of weinig te lezen geven deze docenten aan graag over meer, en voor hun leerlingen geschikte, titels te beschikken.

Docente X: ’ Ik gebruik nu bijvoorbeeld ook wel eens die lijsten van John met titels voor verschillende klassenniveaus en daar word ik dan ook door geprikkeld. Het doel is dan toch om leerlingen aan te spreken.’ Een korte training en goede titellijsten, verwijzingen naar recensies, waar mogelijk naar kant en klare lessuggesties, naar aandacht via Literatour (100 schoolbezoeken in 2017, is dat veel?) of Inktaap (65 jury’s in 2017, is dat weinig?) kunnen er toe leiden dat de deelnemers die titels ook daadwerkelijk gaan lezen. Maar of zelf veel lezen door docenten een vereiste is om goede literatuurlessen te geven en invloed te hebben op de leesattitude van hun leerlingen is een vraag naar de pedagogisch didactische vaardigheden van de individuele docent.  Jeroen Dera wijst in het verlengde daarvan ook naar het zgn. Peter Effect, ‘naar de apostel Petrus die in Handelingen 3:5 een bedelaar antwoordt dat hij hem niet kan geven wat hij niet heeft’. Wanneer er bij docenten te weinig (titel)kennis of nauwelijks enthousiasme voor leesplezier of leesmotivatie aanwezig is ‘dan betekent dit dat literatuurdocenten van nog betere huize moeten komen om de leesattitude van hun leerlingen te stimuleren.’

Lezen voor de lijst eist in deze ook een rol voor zichzelf op, als een soort schoolcanon met  kwaliteitskeurmerk. Het prachtige instrument dat Theo Witte ontwikkelde en recentelijk is geadopteerd  door Stichting Lezen i.o.v. het Ministerie van OCW, is bij vrijwel alle docenten bekend. Maar op lang niet alle scholen wordt het rijke instrument ook écht gebruikt.  In tegendeel, helaas wordt er maar al vaak naar het corpus verwezen, “Ga daar maar eens kijken op niveau 3 en 4”, terwijl de verwijzing dan geen vervolg krijgt.  Op die manier verwordt Lezen voor de lijst toch weer tot de zoveelste lijst.

Is er een antwoord te geven op de vraag hoevéél boeken je moet hebben gelezen om je leerlingen goed advies te kunnen geven? Van Dijk stelt: “het totaal aan gelezen literatuur van je studietijd en een paar boeken per maand, of zelfs maar één, is genoeg om leerlingen goed advies te geven”.  Maar… je studietijd kan echt al heel lang geleden zijn (bij 40 jaar steek ik mijn hand op!). En een paar boeken per maand lijkt mij heel reëel, maar slechts één boek per maand…  Dat lijkt mij aan de magere kant! Nogmaals, ik kom regelmatig docenten tegen die stellen gewoon niets te lezen, of hooguit een of twee boeken in de vakantie. Gelukkig vormen de docenten geen homogene groep, zelfs niet binnen de Facebook groep, en gelukkig zijn er aantal die best veel of juist heel veel lezen, zie Michelle, Miriam, Henk, Alexander, Jürgen etc. (wanneer je de Facebook groep een beetje volgt zijn de achternamen niet nodig).

Punt is dat er een behoorlijk grote groep docenten is die graag meer en zeker ook met enige regelmaat geïnformeerd wil worden over nieuwe namen en nieuwe titels. De literaire actualiteit zit ‘em namelijk lang niet altijd in vlakke talkshows of de 3 recensies in de wekelijkse boekenbijlage van je krant. De literaire actualiteit stroomt elke week de Nederlandse boekhandels binnen, is voortdurend in beweging en beweegt soms heftig op de golven van de social media. Veel docenten hebben of nemen daar gewoon de tijd niet voor.

Jeroen Dera somt in de voorlaatste alinea van zijn artikel een heel aantal vragen voor vervolgonderzoek op die in essentie terug te leiden zijn naar onderzoek naar leesgedrag van docenten en naar wat goed literatuuronderwijs nou werkelijk is. De steen die Christiaan Weijts wierp met zijn column ‘Fuck de canon’ zullen we dan maar als katalysator opvatten om het onderzoek verder aan te zwengelen, maar nu met bijdragen van alle actoren.

Over Het Leesbureau

Actviteiten: Trainer/Coach Leesbevordering in de praktijk, Mede-eigenaar Kinderboekwinkel SpeelBoek te Amersfoort, Bestuurslid Stichting Woutertje Pieterse Prijs. Meer dan 10 jaar lid selectiecommissie Kerntitels De Jonge Jury. Actief voor Kunst van Lezen als trainer/coach voor 'Leesbevordering in het VMBO, dat werkt!' Houdt zich bezig met: Leesbevordering, Kinder- en jeugdliteratuur, Jongerenliteratuur, Talentontwikkeling, Lees- en schrijfprojecten, Culturele cross-overs, Ideeëngenerator, Social Media en jongeren.
Dit bericht is geplaatst in Advies op maat, Jongerenliteratuur, Voortgezet onderwijs met de tags , , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *